In de viering van de
Eucharistie komt de verheerlijkte Christus op een unieke wijze
tegenwoordig onder de gedaanten van brood en wijn, op een wijze die
uitzonderlijk verbonden is aan de Eucharistie. In de traditionele
theologische taal van de Kerk: door de handeling van de consecratie
tijdens de Eucharistieviering wordt het brood en de wijn door de kracht
van de Heilige Geest veranderd in de substantie van het Lichaam en het
Bloed van Jezus Christus. Tegelijkertijd blijven de “hoedanigheden”
of gedaanten van brood en wijn behouden.
”Substantie” en “hoedanigheid” worden hier gebruikt als
filosofische termen die zijn toegepast door grote middeleeuwse theologen
zoals de H. Thomas van Aquino, in hun pogingen het geloof uit te leggen
en te doen begrijpen. Zulke termen worden gebruikt om uitdrukking te
geven aan het feit dat wat brood en wijn lijkt te zijn in alle opzichten
(op het niveau van “hoedanigheden” of fysieke attributen, dat is,
wat gezien, geraakt, geproefd, of gemeten kan worden) feitelijk nu het
Lichaam en Bloed van Christus is (op het niveau van “wezenlijkheid”
of diepste realiteit). Deze verandering op het niveau van substantie van
brood en wijn in het Lichaam en Bloed van Christus wordt
“transsubstantiatie” genoemd. In overeenstemming met het Katholieke
geloof kunnen we spreken over de Werkelijke Tegenwoordigheid van
Christus in de Eucharistie waar deze transsubstantiatie zich voordoet
(zie KKK, nr. 1376).
Dit is een groot mysterie van ons geloof – wij kunnen dit slechts weten
door de leer die Christus ons gegeven heeft in de Geschriften en in de
Traditie van de Kerk. Iedere andere wijziging die zich in de wereld
voordoet, houdt een verandering in van hoedanigheden of
karakteristieken. Soms veranderen de hoedanigheden terwijl de substantie
hetzelfde blijft. Bijvoorbeeld, wanneer een kind volwassen wordt,
verandert het karakter van de persoon op vele wijzen, maar de volwassene
blijft dezelfde persoon - dezelfde substantie. In andere gevallen
veranderen zowel de substantie als de hoedanigheid. Bijvoorbeeld,
wanneer iemand een appel eet, wordt de appel opgenomen in het lichaam
van die persoon – is veranderd in het lichaam van die persoon. Echter,
wanneer deze verandering van substantie zich voordoet, blijven de
hoedanigheden of de karakteristieken van de appel niet behouden. Wanneer
de appel is veranderd in het lichaam van die persoon, neemt het de
hoedanigheid of karakteristieken van het lichaam van die persoon aan.
Christus’ tegenwoordigheid in de Eucharistie is hierin uniek, al zijn
het geconsacreerde brood en wijn werkelijk in substantie het Lichaam en
Bloed van Christus, zij hebben geen van de hoedanigheden of
karakteristieken van een menselijk lichaam, maar alleen die van brood en
wijn.
|