Het Lichaam en Bloed van Christus die
tegenwoordig is onder de gedaanten van brood en wijn worden zowel
gedurende als na de viering van de Eucharistie met de grootste eerbied
behandeld (zie Mysterium Fidei, nr. 56-61).
Bijvoorbeeld: het tabernakel
waarin het geconsacreerde brood wordt bewaard wordt geplaatst “in dat
deel van de Kerk of oratorium die voornaam is, in ’t oog loopt, mooi
is gedecoreerd, en passend is voor gebed” (Codex voor de Canon Leer,
Can. 938, §2). Overeenkomstig de traditie van de Latijnse Kerk, hoort
men bij de aanwezigheid van een tabernakel waarin het Allerheiligst
Sacrament is, de knie te buigen. In de Oosterse Katholieke Kerken is het
gewoon het kruisteken te maken en diep te buigen. De liturgische gebaren
van beide tradities weerspiegelen eerbied, respect en aanbidding. Het is
passend voor de leden van de gemeenschap elkaar te begroeten in de
verzamelde ruimte voor de Kerk (zoals de vestibule of het voorportaal),
maar het is niet passend om hardop te spreken of rumoer te maken in de
Kerk, vanwege de tegenwoordigheid van Christus in het tabernakel.
Ook
vereist de Kerk aan ieder te vasten voor het ontvangen van het Lichaam
en Bloed van Christus als een teken van eerbied en overpeinzing (tenzij
ziekte iemand verhindert dit zo te doen). In de Latijnse Kerk moet men
in het algemeen tenminste één uur vasten; leden van de Oosterse
Katholieke Kerken moeten de praktijk volgen die is ingesteld door hun
eigen Kerk.